HET MOOISTE UITZICHT, DEEL 1.

Midden in Londen zit ik op een muurtje. De architectuur voelt alsof ik in een Griekse tempel ben beland. Ik ben ontspannen. De ruimte, het groen en de wind die zacht over mijn huid strijkt laden me op en geven me tegelijk een gevoel van vrijheid. Ik krijg inspiratie voor mijn eigen tuin en begin mijn omgeving na te tekenen. Wanneer mijn plattegrond vol ideeën is, loop ik de tempel in. Vragen dienen zich aan:
Hoeveel mensen zouden hieraan hebben gebouwd? Welke technieken hebben ze gebruikt?
En, kan ik dit namaken met een mal en beton? Kort gezegd: nee. Iets verderop, onder druivenstruiken, staat een houten bankje. Niet bepaald uitnodigend. In het hout staat iets gegraveerd: “Hier rust Victoria Elizabeth Clare Richards 1969 – 2006.” Daaronder een quote: “Now she walks through her sunken dream to the seat with the cleanest view.” Ik neem plaats. Met een licht ongemakkelijk gevoel kijk ik om me heen. Door wat lijkt op een enorm raam zonder glas staar ik naar het uitzicht. Ik moet denken aan de quote. Hoe hard ik ook probeer: ik voel het niet. Ik wil opstaan, maar het bankje lijkt me te vragen te blijven zitten. Ik luister. Mijn intuïtie zegt dat ik hier moet mediteren. Op deze onhandige constructie ga ik in kleermakerszit zitten, mijn handen rustend op mijn benen. Een kou trekt via mijn ledematen mijn lichaam in. In mijn verbeelding maak ik contact met Victoria Elizabeth — ik noem haar Vicky. Ik denk aan haar geboortejaar en realiseer me dat ze in hetzelfde jaar is geboren als mijn moeder. Vicky stierf jong. De vraag dringt zich op: hoe zag jouw leven eruit? Ze verschijnt in mijn gedachten: een lange witte jurk, bruin krullend haar, hazelbruine ogen, gouden sieraden om haar polsen. Ze laat me haar leven zien. Haar pijn. Het gemis. De eenzaamheid. Maar ook de schoonheid, de lessen, en een puurheid van liefde die alles overstijgt. Mijn hartslag versnelt. De kou verdwijnt en maakt plaats voor warmte die vanuit mijn hart door mijn hele lichaam stroomt. Haar verhaal resoneert. Ik zie mezelf in haar.

Vicky vraagt:
"En?" "Wat vind je van dit uitzicht?”
“Ik denk dat ik de quote begrijp,” zeg ik.
“De cleanest view” ligt niet voor je, maar naar binnen. "Het mooiste uitzicht is het innerlijke landschap, daar waar je wonden, je schaduw en je licht verborgen liggen.”
Ze glimlacht.
“Wees moedig." "Zie jezelf, want pas dan kun je werkelijk gezien worden.”
Dan verdwijnt ze.

Langzaam open ik mijn ogen. De zon schijnt. Ik kijk opnieuw door het glazen loze raam. Iets is veranderd. Vicky zat hier niet om het uitzicht te bekijken. Ze zat hier om zichzelf te zien in alles om haar heen. Ik bedank Vicky. Het bankje. De plek. Met een slapend been en een iets te stijve reet sta ik op en wankel — met goud om mijn polsen — het uitzicht in. De stukken beton die de tempel vormden verdwijnen op de achtergrond en via een met mos gevuld pad loop ik stap voor stap het uitzicht in. Een krakend geluid onder mijn voeten maakt me bewust van de ondergrond, gevuld met stenen, takken en bladeren. Ik buk voorover en maak van mijn hand een schep om te graven tussen de steentjes. Ik weet niet waar ik naar op zoek ben, maar het voelt goed om iets mee te nemen. Minutenlang blijf ik wroeten in het pad, alsof het uitzicht zich daar verschuilt. Dan stuit ik op een donker gekleurd steentje. Het trekt meteen mijn aandacht en ik raap het op. Met mijn vingers volg ik de vorm. Niet rond. Niet ovaal. Niet glad. Dit steentje heeft diepe groeven, is hoekig, heeft diepte. Het lijkt iets te willen zeggen: “In dit uitzicht, in dit bos, wacht iets groens op jou.”
Ik kijk verbaasd. Tegelijk komt er een gedachte op: Ja hoor, lekker makkelijk. Ik ben in een bos.
Mijn ego wil het raadsel al oplossen. Ik laat mijn gedachten los en geef me over aan het moment. Ik loop verder, dieper het uitzicht in. Onderweg begin ik de kleine details op te merken. Het landschap nodigt me uit om mezelf er volledig in op te nemen. Toch laten de woorden me niet los: “Er wacht iets groens op je.” Met wijd open ogen en mijn adem hoog in mijn borst kom ik bij een T-splitsing. Mijn hoofd zegt: ga links. En dat doe ik. Het gevoel wordt zachter, terwijl het gesprek in mijn hoofd luider wordt. Dan onderbreekt een zachte stem me. “Keer om.” Ik blijf staan. Terwijl ik stil sta, kijk ik achterom. Had ik naar rechts gemoeten?

“Shit, denk ik." “Ik ben al zo ver gelopen.“ "Ik heb geen zin meer.” Het lood kruipt in mijn schoenen en voor een moment sta ik vastgenageld. Luister ik naar mijn gevoel, of duik ik verder de rationaliteit in? De stilte houdt aan. En langzaam begint het landschap te spreken. Ik zie de bomen, het pad, de doordringende blik van de verte. Ik besluit mijn gevoel te volgen. Het schemerige licht en de wind wijzen me de weg over een dichtbegroeid pad waar de natuur haar cyclus heeft losgelaten. Modder spat op mijn wit gebreide alpacawollen sokken en kleurt ze bruin. Het pad wordt steiler, dieper, minder vriendelijk. Ik baan me een weg door de takken en wordt omhelst door een wolk van vallende bladeren.
Mijn hoofd is stil. Mijn lichaam beweegt zich, bijna dansend, met de natuur mee.
Aan het einde van het pad ontvouwt zich, door de bladeren heen, een nieuw uitzicht. Een open veld, met hier en daar een paar bomen, verbreedt de horizon. “Is dit het groen waar de steen het over had?” “Wat betekent dit?” Ik loop het veld in. Het pad wordt rustiger. Vogels begroeten me. Konijnen schieten weg. Eekhoorns klimmen in de bomen, alsof ze me de richting wijzen. In de verte zie ik een paar gebouwen, zo geplaatst dat het lijkt op een klein dorp. Ik volg de eekhoorns en loop richting het dorpje. De wind draagt de geur van bloemen, metaal en stro. Het blijkt een kleine dierentuin te zijn, die me langzaam door een dierenrijke omgeving leidt. Ik hoor vogels, het gestamp van herten in het gras en het zachte rinkelen van sleutels in mijn broekzak. Ik observeer elk dier alsof het mijne is. Ik voel rust, verdriet en onrecht. “Waarom zitten ze in kooien?"“ Ik lees dat de dieren hier revalideren om terug te keren naar het wild. Mijn adem zakt. Ik ontspan. Langs een paar kippen loop ik verder. Door het gaas zie ik iets wat lijkt op een schim. De scherpe blik volgt elke beweging die ik maak. De kakofonie van de kippen lijkt het dier niet te deren. Mijn adem stijgt weer naar mijn borst. Oranje ogen. Een verenkleed van geelbruine en zwarte verticale strepen. Een voorhoofd getekend met sproeten. Stap voor stap kom ik dichterbij. Dan slaan twee enorme vleugels open. Ze houdt haar vleugels gespreid en kijkt recht door me heen. Het voelt als een uitnodiging. Het lood dat ik onderweg was kwijtgeraakt, kruipt terug mijn schoenen in, in de nu opgedroogde modder. Onze blikken verscherpen. En zonder woorden nodigt het dier me uit om de duisternis in te kijken.

Ik moet denken aan de woorden van Vicky:
“Wees moedig." "Zie jezelf.” Het dier lijkt te knikken. We sluiten beiden onze ogen.
In een zwarte ruimte zie ik mezelf van bovenaf. Een spotlight springt aan, precies op de plekken in mijn lichaam die lang geleden hebben besloten zich dicht te timmeren. Pijnscheuten schieten door me heen. Mijn rug. Mijn dijen. Mijn buik. Mijn nek. Alsof ik herhaaldelijk met een snavel wordt geprikt. De vleugels beginnen te slaan door gebergten en over open zee. Zonder bestemming, recht de horizon in. Ik volg de slag van de vleugels en zie, onder ons, alle kleine versies van mezelf verschijnen. In een brede V-vorm vliegen ze mee. We verdwijnen dieper de nacht in en het dier laat me de prooien zien die ik moet leren vangen om te kunnen leven.